Content voor Ingelogde Gebruikers

Olga Robben

“Ik wil graag de afstand tussen hulpverlener en cliënt verkleinen”  

De 36-jarige Olga Robben, afkomstig uit Tilburg en woonachtig in Etten-Leur, werkt als verpleegkundige bij het Centrum Veerkracht en Stabiliteit (CVS) in Breda. Ze kan putten uit haar eigen ervaring als cliënt. Rond haar vijftiende was ze namelijk een jaar opgenomen op de Viersprong in Halsteren en de afgelopen drie jaar kampte ze met een depressie en een angststoornis. 

“Als kind was ik heel gevoelig. Alle indrukken kwamen naar binnen en ik kreeg het gevoel dat ik deze wereld niet meer aankon. Op een dag kwam ik zelfs mijn bed niet meer uit; ik was helemaal op. Jarenlang deed ik niets meer en lag ik katatoon in bed. Mijn zus wist niet beter dan dat ze een ziek zusje had. Mijn ouders deden van alles om me in actie te krijgen, maar dat lukte niet. 

Op een dag werd ik uit bed geplukt en ging ik naar de Viersprong (een therapeutische gemeenschap in Halsteren). Daar werd ik op de jeugdafdeling geplant tussen 30 jongelui, met een verplicht programma van ‘s ochtends tot ‘s avonds. De hele dag in bed liggen was er niet meer bij. Een cultuurschok, maar wel nodig. Destijds was het regime op de Viersprong nog heel anders dan nu. De verantwoordelijkheid werd bij jezelf en bij je groep gelegd. Als een groepsgenoot iets deed wat niet kon, werd iedereen op het matje geroepen. Ook sliep je met vieren op een slaapkamer en was je samen verantwoordelijk dat iedereen zijn rust kreeg. De stelregel was: “wat je ook is overkomen, je hebt nú de keus om het anders te doen.” Dat hielp: ik leerde zelf de verantwoordelijkheid te pakken en iets van mijn leven te maken. Daardoor klaarde ik op en kreeg ik weer echt zin in het leven. Wel duurde de behandeling in totaal vijftien maanden. Maar ze zeiden: ‘als je er vijftien jaar over hebt gedaan om die problemen te creëren, kun je er ook niet binnen twee weken vanaf zijn!'” 

Voelsprieten 

“Toen ik weer opgeknapt was, kon ik met een schone lei in een nieuwe omgeving beginnen. Voor ik weer naar huis ging, kwam ik eerst een half jaar in een pleeggezin: een noodopvang voor kinderen die snel ergens geplaatst moeten worden. Opnieuw een cultuurschok: in de Viersprong had ik 24 uur per dag mensen om je heen, en hier moest ik het ineens weer zelf doen. 

Om nog iets van mijn toekomst te maken, volgde ik ‘s avonds na mijn werk in een supermarkt de volwassenenmavo in Breda. Binnen 9 maanden slaagde ik cum laude, waarna ik in 1 jaar de havo deed. Ik dacht: ik kan tóch wel wat! Het ging ook heel goed met me en ik leidde ook steeds meer een normaal leven met vriendinnen. Op de opleiding zaten ook mensen met hun verhaal, dus ik was niet anders. Het idee om dierenverzorging gaan doen, liet ik varen; in plaats daarvan koos ik voor een opleiding verpleging en dacht: ‘ik zie wel; als ik stage ga lopen, merk ik wel wat er bij me past’. 

De eerste stage was op een revalidatieafdeling voor mensen die een CVA hebben gehad; ook jonge mensen. Mooi, maar zwaar werk – zeker voor mij als broekie. Ik had iets meer ervaring nodig gehad om het goed te kunnen. Daarna liep ik een half jaar stage in een woonvorm voor mensen met een verstandelijke beperking op hoog niveau. Eerst zag ik daar verschrikkelijk tegenop; ik dacht aan die groepjes die op straat iedereen willen kussen en aanraken. Maar je bleek met hen de diepte in te kunnen, bijvoorbeeld over de vraag waar bepaalde boosheid vandaan kwam. Dat vond ik ook de uitdaging.

Ook was er iemand met autisme met wie ik op een boerderij planten verzorgde en in gesprek ging over haar leven. Zo had ik de hele mens in plaats van alleen de ziekte; dat vond ik heel leuk. Door dat alles bloeide ik helemaal op. Van jongsaf aan heb ik voelsprieten voor mensen waar het minder mee gaat. Mijn moeder zei dat op mijn verjaardag altijd ‘de sukkeltjes van de klas’ kwamen, zoals kinderen die gepest werden. Dat soort onrecht trok ik me altijd erg aan.” 

Doelgerichter werken 

“Ook op mijn huidige werk bij GGz Breburg vang ik af en toe kleine signalen op dat iemand er niet lekker bij zit. Dan ga ik er gewoon even bij zitten; daar heb je geen plan van aanpak voor nodig. 

Ik werk hier nu tien jaar. Ik begon op de open crisisafdeling. Drie jaar geleden ging die over in CVS, dat bestaat uit een opnameafdeling enerzijds en een deeltijdbehandeling anderzijds. Ik werk op beide afdelingen en elke ochtend wordt besproken bij welke dienst ik die dag word ingezet. Mijn werkzaamheden zijn wel veranderd; zo geef ik nu ook therapieblokken (zoals themabesprekingen en sociale vaardigheden, met een andere doelgroep en andere werkzaamheden) en doe ik veel meer aan begeleiding. Ook ben ik veel doelgerichter bezig; er zit veel meer een plan achter. Vroeger wachtten mensen op de open afdeling soms wel drie maanden op een plek bij beschermd wonen. Meestal zitten ze hier 2 à 3 weken (maximaal zes weken). Dan gaan ze weer naar huis of stromen door naar de deeltijd. 

Van de 10 mensen die op CVS werken, heb ik zelf de meeste ervaring binnen de psychiatrie. Het is echter aan mij om die al dan niet in te zetten bij cliënten. Ze moeten me eerst kennen als verpleegkundige en zitten er vaak ook niet op te wachten dat ik over mezelf ga vertellen. Ik ben ook geen ervaringswerker, maar verpleegkundige; ik heb een heel andere rol.” 

Kromme tenen 

“Soms zitten cliënten zo diep dat ze er zelf geen woorden aan kunnen geven. Dan zeg ik bijvoorbeeld: ‘je wilt gewoon niet meer omdat je die pijn niet meer wilt hebben’. Of ‘je ziet wel een lichtpunt, maar weet niet hoe je er moet komen’. Ooit zei een cliënt dat ik volgens hem ook iets heb meegemaakt; dat vond ik wel prettig, omdat hij er veel aan had gehad. 

Overigens voel je vanzelf aan wanneer je over jezelf kunt vertellen. Als iemand erg met zichzelf bezig of bang is, heeft hij soms even een sterk persoon nodig die hem leidt. Maar als iemand diep in de put zit, zeg ik soms (als laatste strohalm): ‘ik heb het ook gehad, en het gaat echt over!’ Zo probeer ik een soort voorbeeldfunctie te zijn en de afstand tussen hulpverlener en cliënt te verkleinen. Eén keer zei een cliënt: ‘dus het kan wél overgaan.’ En hij is er ook weer bovenop gekomen. Je hebt dan samen de weg bewandeld; dat is wel tof.

Het al of niet inzetten van eigen ervaringen ligt ook aan wie ik tegenover me heb; het moet voor mij ook veilig voelen. Achteraf vraag ik dan een collega of het wel gepast was. Als een cliënt vertelt over zijn psychiater, ligt het op het puntje van mijn tong om iets over die van mij te vertellen. Maar dan slik ik het soms toch in, zeker als hij al tegen zijn ontslag aan zit. Maar als hij zegt ‘jij hebt makkelijk praten!’, zit ik met kromme tenen; soms zeg ik dan: ‘het zou je nog eens verrassen!’ 

Overigens identificeer ik me helemaal niet als een cliënt zijn verhaal doet. Het kan raakvlakken hebben met dat van mij, maar staat er verder los van. Het triggert bij mij ook niets – temeer daar de Viersprong een therapeutisch milieu was, terwijl het hier meer crisiswerk is. Er gebeuren weleens onverwachte dingen, maar ik ben professional genoeg om dat te handlen. Eventuele angst of paniek horen bij Olga als privépersoon, terwijl ik hier Olga de verpleegkundige ben. Overigens geef ik mensen met een angststoornis of een depressie ruimte voor hun gevoelens. Als iemand zegt dat hij een paniekaanval heeft, neem dan maar aan dat dat ook echt zo is – zelfs als er van buiten niets te zien is. Bij een paniekaanval zat ik zelf uiterlijk rustig, maar mijn lijf gierde.” 

Plekje gevonden 

“Hoewel ik gelukkig geen paniekaanvallen meer heb, moet ik opletten hoe ik mijn leven inricht. Zo triggert vermoeidheid bij mij zwaarmoedigheid; daarom ga ik op tijd naar bed en sla ik borrels af. Maar dat heb ik er graag voor over. Ook gebruik ik nog steeds medicatie tegen angsten, al vlak ik daardoor af: mijn gevoelens zijn minder heftig, maar ook komen bepaalde dingen minder binnen. 

Ik wil hier ook de komende 10 jaar blijven werken; ik heb mijn plekje gevonden. Het is leuk en afwisselend werk in een fijn team. De twee keer dat ik ben uitgevallen was er alle begrip en ruimte om weer te herstellen. Ook zijn we open naar elkaar. Zelf ben ik ook altijd open over mijn achtergrond; dan sta ik niet met mijn mond vol tanden als een vroegere behandelaar hier komt werken. Wel had ik er moeite mee toen een buurvrouw hier zou worden opgenomen; dan zouden privé en werk te veel door elkaar lopen. Ze is toen geplaatst op een andere open afdeling. Zo valt er altijd wel een mouw aan te passen.” 

Scroll naar boven