Content voor Ingelogde Gebruikers

Ron Bervoets

“Ik wil depressieve klachten bespreekbaar maken, ook als hulpverlener” 

De 62-jarige Ron Bervoets (klinisch psycholoog en psychotherapeut bij GGz Breburg) heeft om de paar jaar een depressieve periode, wat het werken bemoeilijkt of zelfs onmogelijk maakt. Toch is hij er graag open over. “Ik wil depressieve klachten uit de sfeer halen van ‘daar praat je niet over als hulpverlener’ en ‘daar heeft een hulpverlener zelf geen last van’. Zo wil ik de drempel verlagen en het bespreekbaar maken.” 

Ron werkt nu zo’n 35 jaar als klinisch psycholoog en psychotherapeut. Hij begon als bij een particuliere (opleidings-)psychotherapiepraktijk voor volwassenen: eerst in opleiding tot psychotherapeut, later tot klinisch psycholoog. Zes jaar later, in 1989, stapte hij over naar RIAGG Breda. Bij GGz Breburg werkt hij nu enerzijds bij Centrum Jeugd & Jong Volwassenen, anderzijds bij Centrum Ontwikkelingsstoornissen 23+, voor cliënten met ADHD of een autismespectrumstoornis (ASS). “Om de paar jaar heb ik last van een depressie. Dat begon rond mijn vijftigste: ik werd somber, had moeite met het begin van de dag, een slechte eetlust en geen energie: een algehele malaise. Daarnaast werd mijn concentratie minder; ook het werkgeheugen en de capaciteit om besluiten te nemen nam af. Omdat je het overzicht verliest en moeite hebt met ingewikkelder zaken, is het werk lastiger vol te houden; ook maak je meer tikfouten. Al snel realiseerde ik me dat het ging om een depressie. De eerste keren begon het vrij mild; pas later werd het zwaarder. Dankzij mijn werkervaring kon ik gewoon blijven doorwerken, al was ik minder scherp. 

In het begin kostte het moeite om te accepteren dat ik depressieve klachten had. Op een gegeven moment ging ik zelf medicatie gebruiken en moest ik hulp gaan vragen. Wel deed ik dat buiten GGz Breburg, want ik ken hier iedereen en wil mijn collega’s er niet mee belasten. Ik besprak het wel met collega’s, maar niet in de zin van hulpverlening. Aanvankelijk hoefde ik niet eens te vertellen dat ik depressief was, want het was nauwelijks merkbaar. Drie jaar geleden ben ik er voor het eerst wat langer uit geweest. Afgelopen keer heb ik gewoon doorgewerkt, al vertel ik gewoon in het team dat ik depressief ben en niet op mijn best ben. Overigens voelt dat niet echt meer ongemakkelijk. In het begin zullen ze het wel wat apart hebben gevonden, maar nu vragen ze er gewoon naar. Collega’s die even binnenlopen voor een praatje zien ook wel dat ik geen zielig hoopje mens ben geworden, al moeten soms dingen uit handen worden genomen.

Zo heb ik als klinisch psycholoog eens per week een achterwacht, waarbij ik bij crises binnen kantooruren (zoals suïcidale cliënten) samen met de behandelaar moet oordelen over de ernst en de noodzaak tot ingrijpen. Als ik minder scherp ben, nemen collega’s dat tijdelijk over. Zo voorkom ik dat ik echt vastloop. Omdat het onvoorspelbaar is hoe de episode precies verloopt, is het goed dat iedereen het weet. Aan collega’s vraag ik om te laten weten als ik het niet goed meer doe; dat gebeurt echter vrijwel niet. Ze gaan ervan uit dat ik zelf wel weet wanneer het niet meer gaat; ook doordat ik dit werk al 35 jaar doe. Tijdens een gesprek met een cliënt ben ik er wel met mijn hoofd bij, al kost dat meer moeite en ben ik na afloop vermoeider. Ik doe ook samen met een collega gesprekken zoals intakes; ook ben ik opleider. Dan zien ze wel als het minder goed met me gaat.” 

Naar het front 

“Mijn depressies zijn voor een deel een erfelijke gevoeligheid, al had het de laatste keer grotendeels te maken met overbelasting op het werk. Aanvankelijk had ik mijn depressies altijd in het voorjaar.

Mijn circadiaan systeem (een biologisch ritme dat samenhangt met het dagritme en de hormonenbalans) raakte verstoord, waardoor ik heftige dagschommelingen had. Meestal maak je ‘s avonds melatonine aan (dat helpt om in slaap te komen) en daalt het stresshormoon cortisol (dat zorgt voor waakzaamheid). ‘s Morgens is het andersom. Bij mij werd ‘s avonds echter onvoldoende melatonine aangemaakt en ‘s morgens veel te vroeg cortisol. Als ik wakker werd, was ik al meteen zo waakzaam alsof ik naar het front moest en ook angstig. Zo’n verstoring komt voor bij een winterdepressie, maar kan ook in het voorjaar plaatsvinden. Ik ben nu aan het nazoeken wat er nou in mijn systeem zo ontregeld raakte. Het kan ook door te veel stress zijn. Afgelopen jaar had ik een bijzondere ervaring: toen ik tijdens een depressie op reis was in Cuba, hadden mijn dagschommelingen ook een jetlag van zes uur. In plaats van ‘s morgens nam de cortisol al om één uur ‘s nachts toe. Gedurende de vakantie nam de jetlag af en toen ik eenmaal gewend was aan het tijdverschil was de depressie bijna over… Ook daarna bleef het gewoon goed. Ik zie het zelf als een hormonale reset. De volgende keer als ik een depressie heb, wil ik de hypothese gaan uittesten en zien hoe het gaat als ik een reis boek naar bijvoorbeeld de Verenigde Staten. 

Als ik depressief ben, probeer ik niet toe te geven aan de neiging om in bed te blijven liggen. Daarom houd ik mijn dag- en werkritme aan en blijf ik actief met sporten. Zo ga ik een paar keer per week naar zumba (fitness met Zuid-Amerikaanse dans); dat is heel activerend en maakt me blij. Ook als ik me minder goed voel, blijf ik het doen, zij het minder vaak. 

Over mijn depressies ben ik heel open, zeker tegen mensen die dicht bij me staan en tegen mijn kinderen. Als ik aan vrienden aangeef dat ik me niet goed voel, zetten ze graag een extra stapje. Soms komen ze langs om met me te gaan wandelen of nodigen me uit om te komen eten. En als ik het met mijn kinderen bespreek, zeggen ze soms dat ze het al hadden gezien. Ze bellen dan een keer extra op om te vragen hoe het gaat. 

Wat heeft geholpen bij mijn herstel is dat het management erop vertrouwde dat ik met betrekking tot mijn werk zelf kon aangeven wat ik wel of niet meer kon. Ze keken waar ik hulp bij nodig had en gaven me daarin voldoende ruimte en ondersteuning zonder te betuttelen.” 

Denken in kansen en mogelijkheden 

“Misschien ben ik een trendsetter geweest door het te zeggen. Als een collega last heeft van problemen, zoals ADHD of een depressie, stapt hij makkelijker naar mij toe. (‘Met jou kan ik erover praten, want jij snapt het.’) Overigens is het niet goed om helemáál te stoppen met werken als dingen minder goed gaan. Kijk liever naar wat nog wél gaat; anders wordt het wel érg leeg. Ik heb ook depressiegroepen gegeven; daar staat activeren altijd heel hoog. 

Ik kan het makkelijk doorgeven aan mijn cliënten, die het zelf ook moeilijk vinden. Als ik echt denk dat ik het bij iemand kan gebruiken, vertel ik zelf ook wat het is om depressief te zijn en dan tóch je bed uit te komen. Dat werkt ook. Ooit las ik ‘Ver heen’, waarin psychiater Piet Kuiper schreef over zijn eigen depressie. Ik vond het wel dapper. Maar pas toen ik zelf een depressie kreeg, realiseerde ik me hoe allesoverheersend het kan zijn. Dat veranderde mijn denkbeelden; het is niet zwart-wit. Bij een depressie is het vaak geen kwestie van niet willen, maar het kost vaak enorm veel moeite om dan te veranderen. Daarom moet je je aanpassen aan wat de ander niet meer kan en zoeken wat hij nog wél kan opbrengen; daar moet je dan ook achteraan zitten. Je moet denken in kansen en mogelijkheden. Ook moet je de omstandigheden onderzoeken waardoor het is ontstaan, en kijken naar aanleg. Toen ik 35 jaar geleden begon, was het altijd iemands schuld als je ziek werd; dat is nu gelukkig niet meer zo. Maar door het zelf mee te maken, weet ik nu dat ik een kwetsbaarheid heb, zoals anderen autisme kunnen hebben of vatbaar zijn voor psychosen. En door openlijk te praten over mijn depressie, kan ik helpen om het taboe te doorbreken.” 

Scroll naar boven